interactieve aardigheidjes

Sommige oudere projecten lijken in het verleden te verdwijnen. Toen de eerste- en tweedejaars studenten Mediavormgeving in 2010 gevraagd werden om voor ROC A12 een digitale nieuwjaarsgroet te maken, mocht ik het proces begeleiden. Nou, het kwam er eigenlijk op neer dat ik het gemaakt heb en dat de studenten onderdelen hebben verzorgd. Al snel had ik meerdere concepten bedacht en de keuze is gevallen op het project “handen schudden”. We hebben korte filmpjes gemaakt waarin mensen handen schudden en daarmee elkaar het beste wensen. Aan het begin stond een beeld met foto’s uit de huisstijl van ROC A12. Ook het gebruikte lettertype was in overeenstemming met de huisstijl.

Met behulp van Flash werden de filmpjes in de browser getoond en door met je muis over de afbeeldingen te gaan begon het filmpje te spelen en stopte bij het eindbeeld. De reacties waren erg positief en ondanks de moeite die het gekost heeft om naast het bedenken en uitvoeren van het project ook de studenten aan te sporen. De kerstwens is nog altijd te bekijken via http://typovar.nl/roc/.

Arnhemse Kunstnacht 2011

Op 9 juli 2011 wordt de Arnhemse Kunstnacht 2011 georganiseerd. Ook dit jaar mocht ik het drukwerk verzorgen en – omdat de opzet van de Arnhemse Kunstnacht veranderd is – was het volgens de organisatoren belangrijk dat er een nieuw beeld werd ontworpen hiervoor.
Een opdracht waarbij ik de vrije hand kreeg en “helemaal mijn ding” mocht doen.

Nieuw logo Arnhemse KunstnachtIk koos voor een combinatie van typografie en fotografie, waarbij de nadruk op het laatste kwam te liggen. Volgens mij is het belangrijk dat mensen die interesse hebben voor iets als de Arnhemse Kunstnacht een goed beeld krijgen van het evenement. Fotografie is daarvoor het meest geschikte medium, omdat het onverbloemd laat zien wat er op zo’n avond gebeurt.

Als drager voor de fotografie zocht ik een lettertype dat zo vet was dat het kon functioneren als fotolijst. Het werd Klimax Plus Italic van Typotheque.com; één van de meeste extreme letters die ik ken. Met de foto’s in de letters geplaatst is het “woordbeeld” niet meer te lezen, maar dat was ook niet de bedoeling. Ik had wel het idee dat er een groep bezoekers zou zijn die moeite zou hebben met een logo dat uit onleesbare tekst en fotografie zou bestaan. Om hen tegemoet te komen maakte ik een alternatief woordmerk dat op zich als zelfstandig logo door het leven zou kunnen gaan, maar naar mijn mening te weinig opvallend was om iets van de sfeer/aard van de Arnhemse Kunstnacht uit te dragen.
De Nexus Regular Italic van de (Arnhemse) letterontwerper Martin Majoor, beschikt over een aantal bijzondere eigenschappen die in dit woordmerk goed van pas komen. De “swashes” en alternatieven vormvarianten laten zich schikken tot een pakkend “ding” met traditionele typografische karakteristieken. Het is ook niet voor niets dat ik koos voor die traditionele typografische aanpak voor dit beeld. Tijdens mijn studie aan ArtEZ was het juiste die degelijke typografie die Arnhem onderscheidde van andere opleidingen. Nog altijd zie je in het werk van de Arnhemse studenten Graphic Design goed verzorgde typografie. De schreefloze variant laat zich goed gebruiken voor het onderschrift: “Bridge between generations”. De Nexus Sans heeft een modernere uitstraling dan de schreef-versie, maar behoudt het traditionele karakter. Een brug tussen generaties liefhebbers van kunst en cultuur.

Zie ook de website van de Arnhemse Kunstnacht (de website is niet door mij gemaakt…).

Nieuwe ontwikkelingen

Na een tijd intensief bezig te zijn geweest met handschriftontwikkeling, is de aandacht nu weer gericht op de AVVK (Seizoen 2011—2012) en opdrachten voor andere klanten.

Het gewone werk gaat door en de dagen zijn gevuld met verschillende klussen voor verschillende klanten.

Voor de Rekreatieve Sportvereniging Vredenburg – Arnhem (RSVV) mocht ik een website maken met als topper een aardige collage met een overzicht van de verschillende sporten die beoefend kunnen worden.

Een soortgelijke opdracht mocht ik doen voor Mediators in straf- en herstelzaken Amsterdam (Misza). Ik overweeg nog een andere afbeelding te maken voor de header, maar het was wat de klant graag wilde.

De Actie Kerkbalans is een jaarlijks terugkerende logistieke jongleeroefening. Voor de Protestantse Gemeente te Arnhem geef ik het drukwerk vorm en combineer verschillende soorten drukwerk (gepersonaliseerd, digitaal en offset). De folder bestaat uit algemene pagina’s en een pagina per wijk. Het is een hele krachttour om dat proces te begeleiden en ik sta telkens weer verbaasd dat Advadi er in slaagt de productie zonder noemenswaardige problemen op te leveren.

Tot slot is veel tijd opgegaan aan het lesgeven aan ROC A12. Als docent grafische vormgeving begeleid ik studenten mediavormgeving tijdens hun studie. De tweede- en derdejaars zijn nu op stage en dat betekent dat ik met de eerstejaars het onderdeel huisstijl kan uitdiepen. De vierdejaars zijn begonnen met de voorbereiding op hun examen en sommige van hen werken aan de laaste openstaande opdrachten. Het is soms druk en intensief, maar ook erg bevredigend als je hoort dat de studenten vertellen dat ze “echt iets hebben geleerd”.

 

Nieuw seizoen AVVK

Eind september organiseert de Arnhemse Vereniging Voor Kamermuziek een nieuwe serie concerten. In tegenstelling tot de voorgaande jaren zal er dit seizoen niet voor elk concert een nieuw programma in kleur worden gedrukt.

Het bestuur heeft gekozen voor een gekleurd omslag (dit keer in vierkleurendruk) met een prachtige foto van Bert de Turck. Per concert wordt het binnenwerk in louter zwart-wit (digitaal) gedrukt. dit is te downloaden op de website van de AVVK.

Welke criteria gelden er voor een goede schrijfletter?

Stel we zouden nu opnieuw moeten bepalen aan welke eisen schrijfletters moeten voldoen. We laten ons niet afleiden door wat gangbaar is in de basisscholen en wat uitgeverijen erover zeggen, maar concentreren ons op het doel van schrijven en op de eisen die aan het geschrevene worden gesteld.

Waarom die vraag? Omdat van kinderen verwacht wordt dat zij eind groep 8 voldoen aan de kerndoelen; in het bijzonder Kerndoel 5:

Nederlands > Schriftelijk taalonderwijs
De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het schrijven van een brief, een verslag, een  formulier of een werkstuk. Zij besteden daarbij aandacht aan zinsbouw, correcte spelling, een leesbaar handschrift, bladspiegel, eventueel beeldende elementen en kleur.

Een leesbaar handschrift, dus! Aha! Leesbaar? Wat vindt een apothekersassistente daarvan? En mijn bijziende oud-tante?

Wanneer schrijven we nog? Als het niet anders kan!

Boodschappenlijstjes, ansichtkaarten, aantekeningen, notities, … Korte berichten die geen lang leven beschoren zijn. Het moet wel weer een keer gelezen worden. Stel we hebben geen computer binnen handbereik en we moeten toch iets  opschrijven. Even snel, mobieltje, nee… dat gedoe met T9… Pak maar even een pen of potlood. Schrijven moet snel gebeuren. Voor langere teksten gebruiken we al jaren geen pen meer. Het schriftje en vulpen zijn vervangen door een tekstverwerker. De criteria zijn dus:

  • leesbaarheid
  • snelheid

criteria 1. leesbaarheid

Toen ik in 2006 afstudeerde aan de HKA, vroeg ik me in mijn afstudeerscriptie af wat de ontstaansgeschiedenis van schrijfletters was. Dat onderzoekje heeft veel inzichten opgeleverd. Uit het overzicht van gebruikte schrijfmethodes op basisscholen, kan ik concluderen dat de stelling “you read best, what you read most” nog steeds geldt.  In mijn dagelijkse praktijk heeft het onderzoekje naar de lange lussen bij schrijfletters zijn vruchten afgeworpen in de wijze waarop ik letters kies voor de verschillende opdrachten.  Bij het kiezen van een geschikte letter voor een huisstijl of brochure, moet je rekening houden met de hoeveelheid tekst en het gemak waarmee de lezer blijft lezen, de snelheid waarmee letters herkend/gelezen kunnen worden en de vorm en kleur van een bepaald lettertype. Bij dat laatste speelt corpsgrootte een belangrijke rol. Bij langere teksten in een klein corps wordt de kleur van de letter bepaald door de zgn. grijswaarde van een tekst. Sommige varianten van grijs hebben een nare uitwerking op de leesbaarheid van bijv. een boek. Zo heb ik ooit een boek van Bob Dylan (Chronicles, Volume One) niet willen kopen, omdat het binnenwerk gezet was in een vette Bodoni. De grijswaarde van de pagina leek haast op een barcode en na twee alinea’s worstelen, ben ik afgehaakt.

Chronicles

Het was voor mij dan ook een beetje vreemd om op de website van de Stichting Schriftontwikkeling onderstaand citaat te lezen. Waarom? Tijdens mijn afstuderen heb ik intensief contact met Ben en Astrid gehad en in de jaren daarna is dat contact gebleven. Door deze twee bijzondere mensen  is mijn interesse voor het schrijfonderwijs gebleven. Een voor mij essentieel begrip wordt echter in een enkele zin van tafel geveegd. Gelukkig weet ik dat ze openstaan voor kritiek.

Voor leesbaarheid zijn dus geen criteria. Het is een subjectief begrip. Het begrip ‘leesbaarheid’ is dus niet te onderbouwen met criteria, waaraan een ‘leesbaar’ handschrift zou moeten voldoen. Wat de een kan lezen, kan de ander niet lezen.

Ik denk daar als ontwerper anders over; leesbaarheid is voor typografische vormgeving juist erg belangrijk. Er zijn misschien, voor zover ik weet, geen internationale standaarden gedefinieerd over bijv. de maximale lengte van de stokken van een lettertype of de minimale hoeveelheid letterwit. Er zijn echter wel degelijk criteria te benoemen die de leesbaarheid van tekst beïnvloeden.

Op zoek naar het begrip leesbaarheid; wat bepaalt leesbaar?

Wat ik zo uit mijn hoofd nog weet over het begrip leesbaarheid. In de typografie wordt de leesbaarheid van een lettertype op twee verschillende manier gedefinieerd. In het Nederlands hebben we hier geen officiële termen voor, maar in het Engels gebruiken we readability en legibility. De eerste vorm van leesbaarheid betreft de herkenbaarheid van letters. Zijn afzonderlijke lettertekens makkelijk van elkaar te onderscheiden. Een bekend probleem zijn homoglyphs. In sommige lettertype lijken de I, 1 ,| en l zo sterk op elkaar dat verwarring kan ontstaan. Ook het verschil tussen een O, 0 en o zijn niet altijd even duidelijk (het betreft hier kapitaal O, nul en onderkast o). Een hieraan verwant probleem is de situatie  waarin een combinatie van letters op een andere letter lijkt, bijvoorbeeld: rn lijkt soms een m.

De andere definitie van leesbaarheid betreft de snelheid en het gemak waarmee de lezer de tekst kan lezen. Hierbij gaat het niet om de vraag of iemand goed kan zien welke individuele trekjes een bepaald teken heeft, maar de samenhang van de letters in woorden, in regels en zinnen, in alinea’s, in pagina’s en uiteindelijk een boek. Het voorbeeld van het boek van Dylan valt hier onder. Hoewel de tekst prima te ontcijferen is, houdt de lezer het waarschijnlijk geen uren vol.

Meer over details over deze twee aspecten van leesbaarheid staat op de website van Fonts.com.

Maar ook: leesbaarheid = begrijpelijkheid

Er zijn andere  manieren om leesbaarheid uit te leggen. Zelf zou ik er nooit opkomen dat de manier waarop een zin geschreven is en uit hoeveel bijzinnen deze bestaat, te maken heeft met leesbaarheid. Jan Renkema onderzocht de “tangconstructie“, een zinsbouwverschijnsel dat omwille van de leesbaarheid vermeden zou moeten worden. In leesbaarheidonderzoek van het Cito wordt een dergelijke beadering gebruikt om leesbaarheidsformules te ontwikkelen.

En er is bijvoorbeeld ook een Europese richtlijn omtrent leesbaarheid van bijsluiters:

Om de leesbaarheid van bijsluiter te verbeteren is er vernieuwde Europese regelgeving (Richtlijn 2004/27/EC) gekomen; voor nieuwe geneesmiddelen is het verplicht om de bijsluiter voor te leggen aan consumentenpanels. Denk daarbij aan patiëntenorganisaties of aan het uitvoeren van een bijsluitertest bij consumenten.
[…knip…]
Bij het testen op leesbaarheid van een bijsluiter moet er aandacht besteed worden aan:

  • vindbaarheid (kan de proefpersoon de juiste informatie vinden)
  • begrijpelijkheid (kan de proefpersoon de tekst in eigen woorden verklaren)
  • toepasbaarheid (kan de proefpersoon handelen naar wat er in de tekst staat)

Ook hier ligt de nadruk op het leesbaarheid als begrijpelijkheid van een tekst. Zoekend naar de criteria die gerelateerd zijn aan lettervormgeving (en typografie) zal ik verder moeten zoeken.

leesbaarheid in het verkeer

Aan verkeersborden worden ook eisen gesteld aan de leesbaarheid. Een onderzoek van het SWOV Nr. 67 – juni 1996 illustreert dit door te melden dat een toename van vervuiling kan leiden tot sterk verminderde leesbaarheid. Op de kennisbank van het CROW worden de verschillende richtlijnen voor verkeersborden en wegmarkeringen beschreven.

In Den Bosch formuleren ze het als volgt:

Belangrijk bij een verkeersbord is de leesbaarheid. Dit hangt samen met het lettertype en de reflectiewaarde. Daarom wordt het door de ANWB ontworpen lettertype gebruikt. Materiaal met een grote reflectiewaarde wordt meestal toegepast. Dit materiaal zorgt voor optimaal ontvangen en weerkaatsen van het licht.

Leesbaarheid op het web

Ook vanuit de hoek van usability wordt leesbaarheid bekeken. Het genoemde artikel dateert uit 2005, maar geldt nog steeds.

De leesbaarheid van tekst op internet wordt door een aantal punten bepaald zoals kolommen, interlinie, lettergrootte, alinea’s, en het lettertype zelf.

Leesbaarheid van een tekst wordt bepaald aan de hand van de volgende punten:
de snelheid waarmee een tekst gelezen kan worden;
het gemak waarmee tekst gelezen kan worden;
de mate waarin de tekst begrijpelijk is;
de tevredenheid van de lezer.

Voldoet een tekst aan bovenstaande punten dan kan de tekst als leesbaar worden beschouwd.

Ik zou bijna gaan denken dat leesbaarheid een subject begrip is. Ik zal meer objectieve criteria moeten formuleren. Wat zegt www.graficum.nl over leesbaarheid?

Want laat dit duidelijk zijn: een letter die ‘lekker leest’ in een jaarverslag, is niet per definitie ook een goede letter voor de bewegwijzering in een groot kantoorgebouw. En wat het goed doet in een nieuwsbrief, en zo aardig aansluit op de huisstijl, kan op een website (een beeldscherm) gewoon een ramp zijn.

Als we de lezer als uitgangspunt nemen, nemen we dus ook de leessituatie in onze beoordeling mee.

En de leessituatie wordt bepaald door tal van aspecten:

  • is het leesmateriaal bedrukt papier, waarvoor de lezer gaat zitten (men neemt tijd voor een brochure), of is het een verkeersbord, dat de lezer door een natte en vieze autoruit gedurende een halve seconde ziet?
  • is het te lezen materiaal omvangrijk (een brochure of boek) of is het compact en bevat meer op zichzelfstaande woorden, dan langere en redactioneel lopende tekst (een advertentie)?
  • is de lezer geconcentreerd (rustig zittend bij de open haard) of in een situatie met gelijktijdig veel andere impulsen (veel kleurrijk POS-materiaal in supermarkt, veel bewegende andere klanten, achtergrondradio en -omroep, jengelende kinderen en weinig tijd)?
  • is de lezer gehaast iets aan het opzoeken in een telefoongids, woordenboek of encyclopedie, kijkt men naar de ‘kleinde lettertjes’ op de achterkant van de verzekeringspolis of zoekt men ontspannen op een vrije dag de weg op de routeborden van de Efteling?

Het heeft geen zin dit rijtje verder uit te breiden; de voorgaande willekeurige opsomming maakt duidelijk dat typografie steeds maatwerk is. Maatwerk waarbij er een aantal simpele globale hoofdlijnen zijn te herkennen, gebaseerd op onderzoeksgegevens en gebruiks- en gebruikerservaringen.
Zo zal men voor teksten die gedrukt worden op papier in de gewone, gangbare lettergrootten (tussen corps 6 en 16) voor folders, brochures, nieuwsbrieven, boeken en gidsen dikwijls kiezen voor een schreefletter.
Voor koppen en tussenkoppen is goed te werken met schreefloze halfvette letters.
Voor bewegwijzering in gebouwen kiest men graag een grotere schreefloze letter, maar als het kan toch wel met contrastverhogende verschillen tussen dikke en dunne delen.
Maar verkeersborden en richtingborden langs wegen stellen toch weer andere eisen.
Zo staat ook vast dat de leesbaarheid van teksten heel sterk achteruitgaat als een zin geheel geschreven is HOOFDLETTERS (kapitalen); alle letters zijn dan even groot en hebben vrijwel allemaal hetzelfde ‘optisch gewicht’. Daardoor is het voor makkelijk het lezen nu juist erg belangrijke onderscheid tussen de diverse letters (zoals dat in kleine letters of onderkastletters wel bestaat) vrijwel geheel afwezig.
Voor tekst die op een beeldscherm verschijnt (ook websites), kiest men snel voor een lettertype dat niet te mager en schraal is (vanwege de dikwijls lichte achtergrond). maar wat vetter en niet te wijdlopend.

Nog steeds geen eenduidige criteria. Kan een letter wel leesbaar zijn? Kun je wel op een wetenschappelijke manier vaststellen hoe leesbaar een letter(type)/handschrift is? Hoe zou de juf voor de klas eigenlijk bepalen wat leesbaar is? Welke criteria hanteert zij? En op basis van welk onderzoek heeft zij die criteria geformuleerd? Met andere woorden: Wie bepaalt wat leesbaar is?

Voorlopige conclusie

Tot nu toe geen harde criteria m.b.t. leesbaarheid in relatie tot lettervormgeving. Wel aanwijzingen en ervaringen die duiden op een relatie tussen leesbaarheid en de stokhoogte/staartlengte. Ook de binnenruimte en de relatieve x-hoogte van een letter dragen bij aan de leesbaarheid van een letter. Ik blijf verder zoeken naar het onleesbare geheim van de letter.
Graag reacties.

FLAR Toolkit experiment

Een klein experiment met Augmented Reality (toegevoegde werkelijkheid). Met behulp van Papervision3D en de flartoolkit heb ik een klein model gemaakt van de Opstandingskerk in Arnhem. Door de marker voor de webcam te houden, kun je het 3D-model laten verschijnen.
In De Gelderlander (d.d. 20 april 2010) stond ook een uitgebreid artikel over Augmented Reality met o.a. de nadelen van dergelijke technieken. Op de site staat ook een verwijzing naar een filmpje op YouTube:

Hervertelling van de grondbeginselen der typografie (Stanley Morison)

Typografie zou men kunnen definiëren als de kunst drukmateriaal zodanig te schikken, dat dit in overeenstemming is met een specifiek doel: de letters onderling te schikken, het wit te verdelen en het zetsel te ordenen om de lezer in de hoogst mogelijke mate behulpzaam te zijn bij het begrijpen van de tekst. Typografie is een zakelijk middel tot een vooral nuttig en slechts bij toeval esthetisch doel, want het genieten van fraaie figuren is zelden het voornaamste oogmerk van de lezer. Daarom is elke schikking van drukelementen die, met welke bedoeling ook, het effect heeft tussen de schrijver en de lezer te komen, verkeerd. Daaruit volgt dat er In boeken, bestemd om te worden gelezen, weinig ruimte is voor ‘originele’ typografie. Bekwaamheid van dit soort is wenselijk, ja noodzakelIjk voor de typografie der propaganda, om het even of ze de handel, de politiek of de godsdienst wil dienen, want bij zulke drukwerken overwint alleen het allerverrassendste de onverschilligheid. Maar de typografie van het boek, met uitzondering van de groep der zeer beperkte edities, eist een gehoorzaamheid aan de conventie die bij na absoluut is – en terecht.
Omdat drukken vooral een middel is tot verveelvoudiging, moet het niet alleen op zichzelf goed gebeuren, maar ook goed zijn voor een ruimer doel. En hoe ruimer dat doel, des te strenger zijn de beperkingen die de vormgever zich moet opleggen. Het is een van de wezenlijkste kenmerken van de typografie en van de aard van het gedrukte boek in zijn hoedanigheid van boek, dat deze een dienst verrichten aan de openbaarheid. Voor persoonlijk of individueel gebruik is er altijd het handschrift, de codex. Daarom heeft een boek, gedrukt in één exemplaar, altijd iets ridicuuls, ofschoon de oplaag met reden beperkt kan blijven wanneer een boek een typografisch experiment vormt.
De wetten die de typografie van het boek voor algemeen gebruik regeren berusten in de eerste plaats op de aard van het alfabetische schrift en in de tweede plaats op de bewuste en onbewuste tradities, die heersen in de samenleving waarvoor de vormgever werkt. Terwijl het mogelijk is een universeel karakter toe te kennen aan de typografie van alle boeken die binnen een bepaald nationaal gebied worden geproduceerd, is dit niet mogelijk voor alle boeken die met Latijnse lettertekens worden gedrukt. De nationale traditie komt tot uiting in de verschillende wijzen waarop het boek verdeeld wordt in voorwerk, hoofdstukken en dergelijke, maar evenzeer in de vormen van de letters. Maar er bestaan in elk geval bepaalde regels voor het zetten, die worden gehoorzaamd door alle vormgevers die hun vak verstaan.
De normale Latijnse letter (in haar eenvoudigste vorm, zonder accenten, leestekens en dergelijke) bestaat uit een rechtopstaande (in onderakast, KAPITALEN en klein-kapitalen) en een schuinstaande variant:
ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ&
abcdefghijklmnopqrstuvwxyz
abcdefghijklmnopqrstuvwxyz
ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ&
abcdefghijklmnopqrstuvwxyz

De vormgever moet heel voorzichtig zijn bij de keus van zijn letter, in het besef dat die letter, naarmate hij die vaker zal gebruiken, des te nauwer overeen moet komen met het algemene beeld dat leeft in de geest van de lezer, die volledig gewend is aan gewone tijdschriften, kranten en boeken.
Het letterontwerp schrijdt voort in het tempo van de meest conservatieve lezer. De goede letterontwerper beseft dus dat, wil een nieuw ontwerp succes hebben, het zó goed moet zijn dat slechts een enkeling er het nieuwe van opmerkt. Wanneer de lezers niets merken van de sublieme terughoudendheid en buitengewone zelfbeheersing in een nieuw letterontwerp, is het waarschijnlijk een goede letter. Maar wanneer mijn vrienden vinden dat de krul van mijn onderkast r of het oog van mijn onderkast e wel leuk is, kunnen we er zo goed als zeker van zijn, dat de letter beter zou zijn geweest zonder dat.
Een letter die vandaag gebruikt moet worden – laat staan een die een toekomst wil hebben kan noch al te ‘verschillend’ noch al te ‘leuk’ zijn. Tot zover wat de Letter betreft. In de tijd dat drukkers met loden letters werkten, bezaten drukkers, naast de letters van de alfabet, bovendien Spaties en Interlijnen in zijn uitrusting, en ook nog metalen voorwerpen, bekend als lijnen en accolades, en ten slotte een min of meer willekeurige verzameling ornamenten: sierstukken, bloemen, gefigureerde initialen, vignetten en krullen. In het digitale tijdperk bestaan deze materialen niet meer als fysieke objecten. Letters zijn niet meer tastbaar, maar zijn software. Interlinie en spaties zijn instellingen in de gebruikte computerprogramma’s. Bij het maken van keuzes tijdens het zetten en opmaken van tekst, houdt een vormgever rekening met de geschiedenis van het drukproces en de tradities die hun oorsprong vinden in het loodtijdperk.
De vormgever heeft hij nóg een decoratiefhulpmiddel tot zijn beschikking in het gebruik van verschillende kleuren: met gezond instinct werd in het verleden rood het meest gebruikt. Voor meer nadruk kan hij vettere letters gebruiken. Wit is een belangrijk bestanddeel van de zetterij-inventaris: marges, witregels en dergelijke worden opgevuld met ‘regletten’ en ‘kwadraatwit’, ‘holwit’ , en ‘ijzerwit’. Het kiezen en schikken van al deze elementen vormt met elkaar het Zetten. Stand maken is de plaats bepalen van het gedrukte op het vel. Het Drukken houdt in: het zetsel afdrukken op het papier, de weerdruk (op de achterkant van het papier) zuiver in register (precies passend) aanbrengen en de inkttoevoer regelen om dusdoende een gelijkmatig en helder resultaat te verkrijgen. De kleur, de dikte en de structuur van het papier, tenslotte, zijn in niet geringe mate van invloed op het eindresultaat.
De typografie heeft dus te maken met het zetten, de opmaak en de stand, de druk en het papier. Van het papier mogen wij op zijn minst verlangen dat de kwaliteit van het zetsel er op tot haar recht komt; van de opmaak en de stand dat de marges in harmonie zijn met het bedrukte gedeelte van de pagina, en redelijk ruimte laten voor duimen en vingers om het boek vast te houden. De traditionele marges zijn op zichzelf fraai en doelmatig voor bepaalde soorten boeken, maar klaarblijkelijk minder geschikt voor boeken met bijzonder smalle of kleine pagina’s, of boeken die in de zak gestoken moeten kunnen worden. Voor deze en dergelijke boeken kan men de zetspiegel beter in de as van de pagina plaatsen en iets boven het optisch midden.
Het belangrijkste element van de typografie is de opmaak, want geen pagina, hoe verdienstelijk op zichzelf ook gezet, is geslaagd als de stand slordig of slecht overwogen is. In de huidige drukkerspraktijk wordt op deze zaken meestal behoorlijk gelet, zodat men inderdaad kan zeggen dat het merendeel van de boeken een redelijk uiterlijk heeft. Zelfs een boek dat slecht is gezet kan er nog behoorlijk uitzien als de opmaak goed is: een weloverwogen stand verbetert slecht zetwerk, maar goed zetwerk wordt volledig bedorven door een slechte opmaak.
De vormgever bepaalt dus eerst de stand en regelt dan de details van de zetwijze. De grondbeginselen van het zetten behoeven weinig discussie omdat ze regelrecht volgen uit de conventies van het gebruik van de Latijnse letter, zoals die zijn aanvaard door degenen voor wie wij vormgeven. De zaak is betrekkelijk eenvoudig. In de eerste plaats staat het wel vast dat het oog niet in staat is een enigszins belangrijk aantal woorden met gemak te lezen wanneer die zijn gezet uit een letter met een groot contrast tussen dik en dun; in de tweede plaats is het niet minder zeker dat het oog geen hoeveelheid woorden met gemak kan lezen, ook al zijn ze gezet uit een goed ontworpen letter, wanneer de regels een bepaalde lengte overschrijden. Ook het oog van de meest geoefende lezer kan niet meer dan een beperkt aantal woorden in een gegeven corps omvatten wanneer de regel te lang is ten opzichte van het corps. Ten derde leert de praktijk dat het corps van de letter in een bepaalde relatie moet staan tot de lengte van de regel. Als deze principes worden gerespecteerd , zal de lezer gewoonlijk behoed worden voor het gevaar, dat hij dezelfde regel twee keer leest. De gemiddelde regel die het oog van de lezer met gemak kan overzien telt tien tot twaalf woorden. Niettemin zal de typograaf [vormgever], hoewel hij er tot het uiterste naar zal streven deze optische wet in acht te nemen, dagelijks het probleem ontmoeten, dat onvermijdelijke omstandigheden hem de keus van een letter in de juiste grootte beletten, zodat hij zijn toevlucht moet nemen tot een betrekkelijk kleine letter. Om nu de lezer te behoeden voor het dubbel lezen, zet hij weloverwogen meer wit tussen de regels en maakt deze zoveel opener dat het oog er gemakkelijk langs gaat van begin tot eind en terug naar het begin van de volgende regel.
Het is verder duidelijk dat de ruimte tussen de woorden, als die zijn gezet uit een smalle letter, kleiner kunnen zijn dan die tussen de woorden, gezet uit een brede ronde letter. Als de regels niet geïnterlinieerd zijn en de zetwijze is, om welke reden ook, nauw (met kleine woordspaties), kan het van nut zijn enig wit tussen de alinea’ s te plaatsen, zelfs al is daarvan het gevolg dat de pagina’s ongelijk van lengte worden.

De voorafgaande elementaire aanwijzingen hebben betrekking op het grootste gedeelte van het boek, de eigenlijke tekst. Er zijn nu nog een paar bladzijden over, die aan de eigenlijke tekst voorafgaan en die men het ‘voorwerk’ noemt: vaak een moeilijke materie, zowel wat de volgorde als de vormgeving betreft. Alvorens ons hiermee bezig te houden kan het geen kwaad onze bevindingen tot dusverre samen te vatten – ze in een formule vast te leggen. Naar onze opvatting is een welgemaakt boek opgebouwd uit verticale rechthoekige pagina’ s, verdeeld in alinea’ s, met een gemiddelde regellengte van tien tot twaalfwoorden, met gelijkmatige woordspaties gezet uit een letter van prettig leesbare grootte en vertrouwde vorm; de regels zijn voldoende van elkaar gescheiden om te voorkomen dat men tweemaal dezelfde regel leest en de bladzijde is bekroond door een sprekende hoofdregel. De gedrukte rechthoek staat zodanig op de pagina dat rugwit, kopwit, zijwit en staartwit in harmonische verhouding zijn, niet alleen tot de lengte van de regels, maar ook tot de witpartijen op die plaatsen, waar de tekst in hoofdstukken is verdeeld, en waar het tekstgedeelte de pagina’s ontmoet, die wij het ‘voorwerk’ hebben genoemd.
Nu is dat voorwerk, dat meer dient om te worden geraadpleegd dan om te worden gelezen en herlezen, minder strikt aan de conventie onderworpen dan de tekstpagina’s. Daardoor bieden ze de meeste mogelijkheden voor typografisch ontwerp.
Typografisch ontwerp betekent niet dat de vormgever zich te buiten mag gaan visuele uitbundigheid die de leesbaarheid teniet doet en de lezer in verwarring brengt over de aard en indeling van de tekst. Elke letter, elk woord, elke regel moet worden gezien met maximale duidelijkheid. Woorden mogen niet worden afgebroken, tenzij het niet anders kan, en in een titelpagina en in soortgelijke typografische werkstukken, moet een regel bij voorkeur niet beginnen met zulke zwakke zinsdelen als voorzetsels en voegwoorden. Het is logischer, om de snelheid van begrip bij de lezer te bevorderen, zulke woordjes aan het eind van een regel te plaatsen, of ze op afzonderlijke gecentreerde regels uit een iets kleiner corps te zetten, zodat de belangrijkste gedeelten relatief groter uitkomen.
Geen vormgever mag zich, om het verwijt van saaiheid in zijn typografie te ontlopen, laten verleiden tegen beter weten in bepaalde typografische kunstjes uit te halen die strijdig zijn met logica en helderheid, in het vermeende belang van de sier. De tekst in de vorm van een driehoek wringen, hem in een hok persen of hem in de vorm van een zandloper of een ruit wurmen, zijn vergrijpen die meer rechtvaardiging eisen dan het feit dat Italianen en Fransen het in de zestiende en zeventiende eeuw ook al hebben gedaan, of het verlangen iets nieuws te doen in de twintigste eeuw. Het zijn de gemakkelijkste foefjes die men zich maar kan voorstellen, en ze zijn bij de nog niet zo lang voorbije ‘herleving der drukkunst’ al zó vaak vertoond, dat we nu eerder behoefte hebben aan een herleving der zelfbeheersing. In alle duurzame vormen van typografie, om het even of de oplage groot of zeer beperkt is, is de enige taak van de typograaf niet zichzelf, maar zijn auteur tot uitdrukking te doen komen. Toegegeven, bij het zetten van advertenties, reclame- en verkoopsdrukwerken komen andere oogmerken in het geding; en natuurlijk heeft het zetten van een boek heel wat gemeen met het zetten van een advertentie. Maar het is ontoelaatbaar als een vormgever zijn zorg voor het welzijn van zijn lezer laat verslappen om zijn neiging tot versiering of opsmuk bot te vieren. De vormgever kan zichzelf beter uiten door het beheerste gebruik van een bescheiden decoratief element, dat uitmaakt van de letter waarin de tekst wordt gezet of dat een kunstenaar speciaal voor zijn bedrijf heeft ontworpen. Dat neemt niet weg dat de bekwame vormgever zelden behoefte zal hebben aan decoratie. In drukwerk voor reclamedoeleinden schijnt dit echter noodzakelijk te zijn, omdat de ingewikkeldheid van onze samenleving een oneindig aantal stijlen en uitingsvormen verlangt.