Hervertelling van de grondbeginselen der typografie (Stanley Morison)

Typografie zou men kunnen definiëren als de kunst drukmateriaal zodanig te schikken, dat dit in overeenstemming is met een specifiek doel: de letters onderling te schikken, het wit te verdelen en het zetsel te ordenen om de lezer in de hoogst mogelijke mate behulpzaam te zijn bij het begrijpen van de tekst. Typografie is een zakelijk middel tot een vooral nuttig en slechts bij toeval esthetisch doel, want het genieten van fraaie figuren is zelden het voornaamste oogmerk van de lezer. Daarom is elke schikking van drukelementen die, met welke bedoeling ook, het effect heeft tussen de schrijver en de lezer te komen, verkeerd. Daaruit volgt dat er In boeken, bestemd om te worden gelezen, weinig ruimte is voor ‘originele’ typografie. Bekwaamheid van dit soort is wenselijk, ja noodzakelIjk voor de typografie der propaganda, om het even of ze de handel, de politiek of de godsdienst wil dienen, want bij zulke drukwerken overwint alleen het allerverrassendste de onverschilligheid. Maar de typografie van het boek, met uitzondering van de groep der zeer beperkte edities, eist een gehoorzaamheid aan de conventie die bij na absoluut is – en terecht.
Omdat drukken vooral een middel is tot verveelvoudiging, moet het niet alleen op zichzelf goed gebeuren, maar ook goed zijn voor een ruimer doel. En hoe ruimer dat doel, des te strenger zijn de beperkingen die de vormgever zich moet opleggen. Het is een van de wezenlijkste kenmerken van de typografie en van de aard van het gedrukte boek in zijn hoedanigheid van boek, dat deze een dienst verrichten aan de openbaarheid. Voor persoonlijk of individueel gebruik is er altijd het handschrift, de codex. Daarom heeft een boek, gedrukt in één exemplaar, altijd iets ridicuuls, ofschoon de oplaag met reden beperkt kan blijven wanneer een boek een typografisch experiment vormt.
De wetten die de typografie van het boek voor algemeen gebruik regeren berusten in de eerste plaats op de aard van het alfabetische schrift en in de tweede plaats op de bewuste en onbewuste tradities, die heersen in de samenleving waarvoor de vormgever werkt. Terwijl het mogelijk is een universeel karakter toe te kennen aan de typografie van alle boeken die binnen een bepaald nationaal gebied worden geproduceerd, is dit niet mogelijk voor alle boeken die met Latijnse lettertekens worden gedrukt. De nationale traditie komt tot uiting in de verschillende wijzen waarop het boek verdeeld wordt in voorwerk, hoofdstukken en dergelijke, maar evenzeer in de vormen van de letters. Maar er bestaan in elk geval bepaalde regels voor het zetten, die worden gehoorzaamd door alle vormgevers die hun vak verstaan.
De normale Latijnse letter (in haar eenvoudigste vorm, zonder accenten, leestekens en dergelijke) bestaat uit een rechtopstaande (in onderakast, KAPITALEN en klein-kapitalen) en een schuinstaande variant:
ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ&
abcdefghijklmnopqrstuvwxyz
abcdefghijklmnopqrstuvwxyz
ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ&
abcdefghijklmnopqrstuvwxyz

De vormgever moet heel voorzichtig zijn bij de keus van zijn letter, in het besef dat die letter, naarmate hij die vaker zal gebruiken, des te nauwer overeen moet komen met het algemene beeld dat leeft in de geest van de lezer, die volledig gewend is aan gewone tijdschriften, kranten en boeken.
Het letterontwerp schrijdt voort in het tempo van de meest conservatieve lezer. De goede letterontwerper beseft dus dat, wil een nieuw ontwerp succes hebben, het zó goed moet zijn dat slechts een enkeling er het nieuwe van opmerkt. Wanneer de lezers niets merken van de sublieme terughoudendheid en buitengewone zelfbeheersing in een nieuw letterontwerp, is het waarschijnlijk een goede letter. Maar wanneer mijn vrienden vinden dat de krul van mijn onderkast r of het oog van mijn onderkast e wel leuk is, kunnen we er zo goed als zeker van zijn, dat de letter beter zou zijn geweest zonder dat.
Een letter die vandaag gebruikt moet worden – laat staan een die een toekomst wil hebben kan noch al te ‘verschillend’ noch al te ‘leuk’ zijn. Tot zover wat de Letter betreft. In de tijd dat drukkers met loden letters werkten, bezaten drukkers, naast de letters van de alfabet, bovendien Spaties en Interlijnen in zijn uitrusting, en ook nog metalen voorwerpen, bekend als lijnen en accolades, en ten slotte een min of meer willekeurige verzameling ornamenten: sierstukken, bloemen, gefigureerde initialen, vignetten en krullen. In het digitale tijdperk bestaan deze materialen niet meer als fysieke objecten. Letters zijn niet meer tastbaar, maar zijn software. Interlinie en spaties zijn instellingen in de gebruikte computerprogramma’s. Bij het maken van keuzes tijdens het zetten en opmaken van tekst, houdt een vormgever rekening met de geschiedenis van het drukproces en de tradities die hun oorsprong vinden in het loodtijdperk.
De vormgever heeft hij nóg een decoratiefhulpmiddel tot zijn beschikking in het gebruik van verschillende kleuren: met gezond instinct werd in het verleden rood het meest gebruikt. Voor meer nadruk kan hij vettere letters gebruiken. Wit is een belangrijk bestanddeel van de zetterij-inventaris: marges, witregels en dergelijke worden opgevuld met ‘regletten’ en ‘kwadraatwit’, ‘holwit’ , en ‘ijzerwit’. Het kiezen en schikken van al deze elementen vormt met elkaar het Zetten. Stand maken is de plaats bepalen van het gedrukte op het vel. Het Drukken houdt in: het zetsel afdrukken op het papier, de weerdruk (op de achterkant van het papier) zuiver in register (precies passend) aanbrengen en de inkttoevoer regelen om dusdoende een gelijkmatig en helder resultaat te verkrijgen. De kleur, de dikte en de structuur van het papier, tenslotte, zijn in niet geringe mate van invloed op het eindresultaat.
De typografie heeft dus te maken met het zetten, de opmaak en de stand, de druk en het papier. Van het papier mogen wij op zijn minst verlangen dat de kwaliteit van het zetsel er op tot haar recht komt; van de opmaak en de stand dat de marges in harmonie zijn met het bedrukte gedeelte van de pagina, en redelijk ruimte laten voor duimen en vingers om het boek vast te houden. De traditionele marges zijn op zichzelf fraai en doelmatig voor bepaalde soorten boeken, maar klaarblijkelijk minder geschikt voor boeken met bijzonder smalle of kleine pagina’s, of boeken die in de zak gestoken moeten kunnen worden. Voor deze en dergelijke boeken kan men de zetspiegel beter in de as van de pagina plaatsen en iets boven het optisch midden.
Het belangrijkste element van de typografie is de opmaak, want geen pagina, hoe verdienstelijk op zichzelf ook gezet, is geslaagd als de stand slordig of slecht overwogen is. In de huidige drukkerspraktijk wordt op deze zaken meestal behoorlijk gelet, zodat men inderdaad kan zeggen dat het merendeel van de boeken een redelijk uiterlijk heeft. Zelfs een boek dat slecht is gezet kan er nog behoorlijk uitzien als de opmaak goed is: een weloverwogen stand verbetert slecht zetwerk, maar goed zetwerk wordt volledig bedorven door een slechte opmaak.
De vormgever bepaalt dus eerst de stand en regelt dan de details van de zetwijze. De grondbeginselen van het zetten behoeven weinig discussie omdat ze regelrecht volgen uit de conventies van het gebruik van de Latijnse letter, zoals die zijn aanvaard door degenen voor wie wij vormgeven. De zaak is betrekkelijk eenvoudig. In de eerste plaats staat het wel vast dat het oog niet in staat is een enigszins belangrijk aantal woorden met gemak te lezen wanneer die zijn gezet uit een letter met een groot contrast tussen dik en dun; in de tweede plaats is het niet minder zeker dat het oog geen hoeveelheid woorden met gemak kan lezen, ook al zijn ze gezet uit een goed ontworpen letter, wanneer de regels een bepaalde lengte overschrijden. Ook het oog van de meest geoefende lezer kan niet meer dan een beperkt aantal woorden in een gegeven corps omvatten wanneer de regel te lang is ten opzichte van het corps. Ten derde leert de praktijk dat het corps van de letter in een bepaalde relatie moet staan tot de lengte van de regel. Als deze principes worden gerespecteerd , zal de lezer gewoonlijk behoed worden voor het gevaar, dat hij dezelfde regel twee keer leest. De gemiddelde regel die het oog van de lezer met gemak kan overzien telt tien tot twaalf woorden. Niettemin zal de typograaf [vormgever], hoewel hij er tot het uiterste naar zal streven deze optische wet in acht te nemen, dagelijks het probleem ontmoeten, dat onvermijdelijke omstandigheden hem de keus van een letter in de juiste grootte beletten, zodat hij zijn toevlucht moet nemen tot een betrekkelijk kleine letter. Om nu de lezer te behoeden voor het dubbel lezen, zet hij weloverwogen meer wit tussen de regels en maakt deze zoveel opener dat het oog er gemakkelijk langs gaat van begin tot eind en terug naar het begin van de volgende regel.
Het is verder duidelijk dat de ruimte tussen de woorden, als die zijn gezet uit een smalle letter, kleiner kunnen zijn dan die tussen de woorden, gezet uit een brede ronde letter. Als de regels niet geïnterlinieerd zijn en de zetwijze is, om welke reden ook, nauw (met kleine woordspaties), kan het van nut zijn enig wit tussen de alinea’ s te plaatsen, zelfs al is daarvan het gevolg dat de pagina’s ongelijk van lengte worden.

De voorafgaande elementaire aanwijzingen hebben betrekking op het grootste gedeelte van het boek, de eigenlijke tekst. Er zijn nu nog een paar bladzijden over, die aan de eigenlijke tekst voorafgaan en die men het ‘voorwerk’ noemt: vaak een moeilijke materie, zowel wat de volgorde als de vormgeving betreft. Alvorens ons hiermee bezig te houden kan het geen kwaad onze bevindingen tot dusverre samen te vatten – ze in een formule vast te leggen. Naar onze opvatting is een welgemaakt boek opgebouwd uit verticale rechthoekige pagina’ s, verdeeld in alinea’ s, met een gemiddelde regellengte van tien tot twaalfwoorden, met gelijkmatige woordspaties gezet uit een letter van prettig leesbare grootte en vertrouwde vorm; de regels zijn voldoende van elkaar gescheiden om te voorkomen dat men tweemaal dezelfde regel leest en de bladzijde is bekroond door een sprekende hoofdregel. De gedrukte rechthoek staat zodanig op de pagina dat rugwit, kopwit, zijwit en staartwit in harmonische verhouding zijn, niet alleen tot de lengte van de regels, maar ook tot de witpartijen op die plaatsen, waar de tekst in hoofdstukken is verdeeld, en waar het tekstgedeelte de pagina’s ontmoet, die wij het ‘voorwerk’ hebben genoemd.
Nu is dat voorwerk, dat meer dient om te worden geraadpleegd dan om te worden gelezen en herlezen, minder strikt aan de conventie onderworpen dan de tekstpagina’s. Daardoor bieden ze de meeste mogelijkheden voor typografisch ontwerp.
Typografisch ontwerp betekent niet dat de vormgever zich te buiten mag gaan visuele uitbundigheid die de leesbaarheid teniet doet en de lezer in verwarring brengt over de aard en indeling van de tekst. Elke letter, elk woord, elke regel moet worden gezien met maximale duidelijkheid. Woorden mogen niet worden afgebroken, tenzij het niet anders kan, en in een titelpagina en in soortgelijke typografische werkstukken, moet een regel bij voorkeur niet beginnen met zulke zwakke zinsdelen als voorzetsels en voegwoorden. Het is logischer, om de snelheid van begrip bij de lezer te bevorderen, zulke woordjes aan het eind van een regel te plaatsen, of ze op afzonderlijke gecentreerde regels uit een iets kleiner corps te zetten, zodat de belangrijkste gedeelten relatief groter uitkomen.
Geen vormgever mag zich, om het verwijt van saaiheid in zijn typografie te ontlopen, laten verleiden tegen beter weten in bepaalde typografische kunstjes uit te halen die strijdig zijn met logica en helderheid, in het vermeende belang van de sier. De tekst in de vorm van een driehoek wringen, hem in een hok persen of hem in de vorm van een zandloper of een ruit wurmen, zijn vergrijpen die meer rechtvaardiging eisen dan het feit dat Italianen en Fransen het in de zestiende en zeventiende eeuw ook al hebben gedaan, of het verlangen iets nieuws te doen in de twintigste eeuw. Het zijn de gemakkelijkste foefjes die men zich maar kan voorstellen, en ze zijn bij de nog niet zo lang voorbije ‘herleving der drukkunst’ al zó vaak vertoond, dat we nu eerder behoefte hebben aan een herleving der zelfbeheersing. In alle duurzame vormen van typografie, om het even of de oplage groot of zeer beperkt is, is de enige taak van de typograaf niet zichzelf, maar zijn auteur tot uitdrukking te doen komen. Toegegeven, bij het zetten van advertenties, reclame- en verkoopsdrukwerken komen andere oogmerken in het geding; en natuurlijk heeft het zetten van een boek heel wat gemeen met het zetten van een advertentie. Maar het is ontoelaatbaar als een vormgever zijn zorg voor het welzijn van zijn lezer laat verslappen om zijn neiging tot versiering of opsmuk bot te vieren. De vormgever kan zichzelf beter uiten door het beheerste gebruik van een bescheiden decoratief element, dat uitmaakt van de letter waarin de tekst wordt gezet of dat een kunstenaar speciaal voor zijn bedrijf heeft ontworpen. Dat neemt niet weg dat de bekwame vormgever zelden behoefte zal hebben aan decoratie. In drukwerk voor reclamedoeleinden schijnt dit echter noodzakelijk te zijn, omdat de ingewikkeldheid van onze samenleving een oneindig aantal stijlen en uitingsvormen verlangt.